| De visie van het CNaVT op toetsen |
|
De CNaVT-examens gaan uit van een functionele visie op taal: de examens meten of een kandidaat relevante dingen kan doen in het Nederlands; ze beogen een bewijs te leveren dat een kandidaat het Nederlands kan gebruiken in een bepaald domein van de maatschappij. De ontwikkeling van deze examens gaat dus niet uit van een analyse van het taalsysteem, maar een analyse van taalgebruik. Met dit functionele uitgangspunt sluit het CNaVT aan bij een internationale verschuiving op het gebied van taaltoetsing.
Vanuit functioneel perspectief wil het CNaVT een zo duidelijk mogelijke relatie tussen wat de kandidaat moet doen in de toets en wat de kandidaat in een werkelijke situatie moet kunnen. Vandaar dat gekozen wordt voor direct toetsen: de toetsen blijven qua opzet zo dicht mogelijk bij de werkelijkheid. De keuze voor geďntegreerde toetsen vloeit automatisch voort uit de keuze voor directe toetsen. Aangezien in werkelijkheid vaardigheden ook samen voorkomen, worden in één toetstaak meerdere vaardigheden en taalaspecten geďntegreerd getoetst.
Wat mensen met taal willen doen of waarvoor ze taal moeten kunnen gebruiken, verschilt van individu tot individu. De situaties waarin anderstaligen Nederlands gebruiken, zijn vrijwel altijd verschillend en in die situaties worden dan ook verschillende talige eisen gesteld. Het CNaVT wil rekening houden met deze verschillen en streeft in de examens een zo groot mogelijke contextualisering na. Dit houdt in dat er niet langer algemene taalvaardigheid wordt gemeten, maar dat er wordt gekeken naar de taalvaardigheid die nodig is om te functioneren in bepaalde domeinen en situaties in de maatschappij (Bijv. op de werkvloer, tijdens studies, tijdens reizen, enz.). Wat kandidaten met Nederlands moeten kunnen doen, zal de ene keer vrij makkelijk en de andere keer wat moeilijker zijn, maar het zal vooral ook van persoon tot persoon verschillen. Het is natuurlijk niet mogelijk om voor elk individu een afzonderlijk examen te ontwikkelen. Wel kunnen taalgebruiksbehoeften gebundeld worden in een hanteerbaar aantal gebruiksprofielen. Een profiel is dan een geheel van situaties en domeinen in de samenleving waarin mensen in het Nederlands willen functioneren en waarin ze allerlei taaltaken moeten kunnen uitvoeren.
In een profielexamen wordt nagegaan of een kandidaat voldoet aan de taalvaardigheidseisen van het betreffende profiel. Het meet een bepaald niveau van taalvaardigheid binnen een bepaald profiel. Met het oog op certificering wordt enkel een eindniveau gemeten, niet de tussenliggende taalvaardigheidsniveaus: een certificaat dat zegt dat een kandidaat maar de helft kan van wat nodig is om te kunnen functioneren in een bepaald domein, biedt aan de buitenwereld geen relevante informatie. Tussentijdse toetsen zeggen wel iets over de stappen waarlangs het taalleerproces binnen een domein verloopt; hoe ver de kandidaat gevorderd is. Deze toetsen kunnen helpen bij de voorbereiding op het uiteindelijke examen en krijgen daarom een plaats in de toetsenbank. |
| Zoektermen: |
| Niveau |
| Profielen |
| Vaardigheden |
|
|
| Ontwikkeling van taken op de toetsenbank |
|
De taken die in de centrale examens worden afgenomen, worden eerst gepilot. Dit betekent dat ze bij een kleine groep representatieve kandidaten worden afgenomen. Na de examens worden er ook nog post-tests gedaan om na te gaan of de taken van een goed kwaliteit zijn. Het is voor de meeste taken in de toetsenbank niet mogelijk om ze te piloten. Wel hebben de taken een uitgebreid constructieproces doorlopen, waarin meerdere malen gecon-troleerd is op kwaliteit en consistentie.
|
| Opmerking |
|
Docenten die taken in de toetsenbank hebben afgenomen bij studenten Nederlands, kunnen eventuele opmerkingen over deze taken sturen naar het CNaVT-secretariaat. Het CNaVT stelt deze opmerkingen zeer op prijs. | |