|
INPUT
De taalgebruiker kan op structurerend niveau:
1. vragen, informatie, argumenten, standpunten, conclusies en instructies tot in detail begrijpen tijdens bijvoorbeeld mondelinge examens, presentaties en lezingen;
2. informatie, argumenten, standpunten en conclusies selecteren tijdens bijvoorbeeld vergaderingen, discussies en debatten;
3. de structuur begrijpen of zelf aanbrengen tijdens bijvoorbeeld vergaderingen, werkcolleges, interviews.
De taalgebruiker kan op beoordelend niveau:
4. informatie, argumenten, standpunten en conclusies vergelijken tijdens bijvoorbeeld discussies, debatten en werkcolleges.
OUTPUT
De taalgebruiker kan op structurerend niveau:
5. zelf vragen en informatie formuleren tijdens bijvoorbeeld mondelinge examens, interviews, vergaderingen;
6. informatie weergeven tijdens bijvoorbeeld werkcolleges, interviews, vergaderingen.
De taalgebruiker kan op beoordelend niveau:
7. zelf informatie, argumenten, standpunten en conclusies formuleren tijdens bijvoorbeeld discussies en debatten, werkcolleges.
|