Zij moeten kunnen omgaan met mondelinge en schriftelijke teksten op hoog academisch niveau.
Communicatiepartners zijn vooral onbekende (bijvoorbeeld studenten, publiek bij een lezing,... ), maar ook bekende personen (bijvoorbeeld medestudenten, collega's, docenten, ... ). Relevante contexten zijn: hoorcollege, werkcollege, lezing, teamvergadering, debat, zelfstudie van vakliteratuur,…
Alle (geďntegreerde) vaardigheden zijn binnen PAT van belang.
Centraal staat algemene academische taal. Er is geen vakspecifieke (bijvoorbeeld juridische, medische, ... ) voorkennis of woordenschat vereist. De vaardigheid om met wetenschappelijke teksten met onbekende woorden om te gaan (bijvoorbeeld door het gebruik van een woordenboek), is wel een vereiste. Bij het maken en beoordelen van examens wordt er rekening gehouden met de variatie, bijvoorbeeld in lexicon en uitspraak, die er binnen het Nederlandse taalgebied bestaat.
PAT komt globaal overeen met niveau C1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader (Common European Framework of Reference).